zondag 20 oktober 2013

Misbruik van procesrecht in burgerlijke zaken; alleen een rechtvaardig doel heiligt de middelen

bron: bundel van het Wetenschappelijk Bureau bij de Hoge Raad ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan (getiteld: WB der Nederlanden), Nijmegen 2003, blz. 71-84

Menno Bruning
Misbruik van procesrecht in burgerlijke zaken;
alleen een rechtvaardig doel heiligt de middelen

‘Interesse ist die unerläβliche Voraussetzung einer jeden Handlung – ein Handeln ohne Interesse ist ein eben solches Unding als ein Handeln ohne Zweck (…).’[1]

 

1    Inleiding


In een langslepend geschil tussen voormalige zakenpartners en hun familieleden over het stranden van een samenwerkingsverband heeft de rechtbank te Almelo in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 14 augustus 2002, NJ 2002, 491 een opmerkelijke uitspraak gedaan. Het was één van vele gerechtelijke procedures. De daar gedaagde partijen hadden in reconventie gevorderd om de eisers te bevelen direct of indirect, alleen of met anderen, geen juridische procedures meer tegen hen aan te spannen, op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft deze vordering tot het staken van de zogenoemde ‘juridische stalking’ toegewezen omdat, kort gezegd, voortgezet procederen in nieuw aan te brengen zaken misbruik zou opleveren van de in de wet opengestelde rechtsmiddelen en een onevenredige verhouding zou bestaan tussen het daarmee gediende belang van de eisers en de belangen van de gedaagden.
            Juridische stalking is niet een gangbaar begrip, maar zal de lading dekken van het rechtsgevoel van diegenen die door proceslustige wederpartijen voortdurend in gerechtelijke procedures voor de overheidsrechter worden betrokken. Dit laat zich niet zelden zien in de meer principiële zaken over personen- en familierecht waarin de emotionele overwegingen kunnen meespelen bij het voeren van een proces voor de burgerlijke rechter (de alimentatiegeschillen en zaken over omgangsregelingen), maar ook in handelsconflicten waar concurrenten elkaar stelselmatig bestoken met procedures uit overwegingen van louter commerciële aard (publiciteit). In dergelijke gevallen doet zich het dilemma gevoelen of de gang naar de rechter in burgerlijke zaken steeds behoort open te staan en wanneer deze faciliteit wordt misbruikt.
            Als ik het goed zie, dan heeft de burgerlijke rechter in Nederland niet eerder een procedeerverbod uitgesproken.[2] Vorderingen tot een voortijdige beëindiging van aanhangige procedures zoals door de intrekking van een aangewend rechtsmiddel[3] worden daarentegen nog niet toegewezen. De beslissing van de rechtbank Almelo over een verder gebruik van de middelen tot handhaving van burgerlijke rechten en bevoegdheden uit het burgerlijk procesrecht is onder de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk. De hier geslaakte noodkreet – ‘En nu is het afgelopen!’ – staat niet op zich, maar ligt in de lijn van de zoektocht die de afgelopen eeuw in de Nederlandse doctrine plaatsvindt naar het antwoord op de vraag in welke gevallen misbruik van procesrecht wordt gemaakt en wat de gevolgen ervan behoren te zijn.[4]
            Waar vóór 1919 de wetstoepassing geschiedde ‘naar de letter’, beoordeelde de burgerlijke rechter het gebruik van de middelen tot handhaving van rechten, naast de toen bekende rechtsbeginselen en adagia zoals ‘point d’intérèt, point d’action’,[5] vooral naar het doel waarvoor de middelen waren verleend.[6] Met veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 56 oud Rv.[7] meende men toen een nodeloos en oneigenlijk gebruik (misbruik) van procesrecht voldoende te kunnen sanctioneren.[8] Sinds Lindenbaum-Cohen[9] wordt ook de uitoefening van processuele bevoegdheden aan de hand van de ongeschreven normen in het maatschappelijke verkeer getoetst. In de rechtspraak vanaf 1919 is de invloed van redelijkheid en billijkheid zichtbaar. Deze rechtsontwikkeling heeft de Hoge Raad pas in 1927 bekrachtigd in een geval waar bij de executie van een onroerend goed door de eerste hypotheekhouder de volgende hypotheekhouders royement weigerden hoewel het zeker was dat zij niets zouden krijgen, enkel en alleen om de eerste hypotheekhouder te dwingen een rang-regeling uit te lokken en hem zo nodeloos op kosten te jagen. Naar het oordeel van de Hoge Raad maakten deze hypotheekhouders een ‘onnodig en onredelijk gebruik’ van hun rechten.[10] Volgens annotator Paul Scholten is toen een einde gemaakt aan een ‘bedenkelijke practijk’ door erkenning dat ‘een recht kan worden misbruikt’. Kort daarna heeft de Hoge Raad zich expliciet uitgesproken over rechtsmisbruik in diverse gevallen waar schuldeisers zonder ‘eenig redelijk belang’ het faillissement van hun schuldenaar aanvroegen.[11] een schuldeiser mag dit rechtsmiddel uitsluitend gebruiken ter bescherming van zijn rechtmatige belangen.[12] Meijers merkte onder het arrest van 1928 op dat, anders dan in de Duitse wetgeving,[13] de Hoge Raad voor rechtsmisbruik niet een bijzonder oogmerk van de handelende verlangt maar het handelen zonder enig redelijk belang reeds als misbruik beschouwt.[14] In zijn latere rechtspraak werd evenwel vanaf 1959 het bijzonder oogmerk van de handelende ook bepalend in de zin als aangegeven in § 226 BGB[15] en vervolgens door de toevoeging van het evenredigheidscriterium in 1970.[16]
            Procesrechtsmisbruik heeft in de vorige eeuw veel aandacht gekregen.[17] Van een duidelijke en een onbetwiste leer van misbruik van procesrecht is lange tijd geen sprake geweest. Rodenburg heeft de problematiek in 1985 in kaart gebracht in het licht van de voorgestelde misbruikbepalingen in het huidige artikel 3:13 BW.[18] Na 1992 hebben de criteria in artikel 3:13 lid 2, via de schakelbepaling artikel 3:15, ook in het burgerlijk procesrecht in diverse misbruiksituaties toepassing gevonden. De laatste tijd geniet het leerstuk procesrechtsmisbruik nationaal en supranationaal een ruime belangstelling. Naast de internationale studie naar de wereldwijde ‘crisis’ in civiele rechtspleging[19] verscheen in 1999 een belangwekkend rechtsvergelijkend onderzoek naar misbruik van procesrecht.[20] Hier te lande hebben Van der Wiel en Van der Kwaak[21] recent voor de sanctionering ervan aandacht gevraagd en hebben Asser, Vranken en Groen in hun Interimrapport voor fundamentele herbezinning[22] grenzen van het processueel toelaatbare aangewezen. Ook de Hoge Raad lijkt vaker te moeten beslissen over de betamelijkheid van de wijze waarop de bevoegdheden van procesrecht worden uitgeoefend.[23]
            Deze bijdrage gaat over de wijze waarop in het burgerlijk procesrecht met misbruik wordt omgegaan. Na een schets van het ‘strijdtoneel’ waar gedingvoerende partijen ten overstaan van de overheidsrechter processuele bevoegdheden uitoefenen en een analyse van het positieve recht en de jurisprudentie van de Hoge Raad, wordt aan het slot bekeken of en, zo ja, hoe juridische stalking kan worden tegengegaan.


2    De toegang tot de rechter en de regulatieve functie van zijn procesrecht


In artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens is het recht op een civiel proces, met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging, neergelegd. Sinds het Golder-arrest uit 1975[24] is het vaste rechtspraak van het Europese Hof dat een civiele aanspraak in beginsel steeds ter beoordeling behoort te kunnen worden voorgelegd aan een rechterlijk college: een ieder heeft het recht op een civiel proces en op de mogelijkheid om in een procedure door de rechter te worden gehoord.[25] Het fundamentele recht op toegang tot de rechter is niet een absoluut recht en kan, onder door het Hof gestelde voorwaarden,[26] worden uitgesloten of gereguleerd.[27]
            De rechterlijke macht wordt als een orgaan van het staatsgezag opgedragen in onze samenleving te waken voor de bescherming en de handhaving van de aan het objectieve recht ontleende burgerlijke rechten en plichten (art. 112 lid 1 Grw.).[28] De mogelijkheid om de tussenkomst van de rechter in te roepen wordt aangemerkt als ‘sluitstuk’ van het rechtssysteem dat eigenrichting en geweld door rechtsgenoten onderling ter beslechting van hun rechtsgeschillen beoogt uit te bannen. Het voeren van een civiel proces ziet men veelal als laatste redmiddel (ultimum remedium).[29] Inzet van een procedure op tegenspraak is berechting, bij een de partijen bindende beslissing, van de materiële rechtsbetrekking in geschil. In het civiele proces behoort sprake te zijn van een kader voor een effectieve beslechting van de rechtsstrijd over een ‘burgerlijke rechtsbetrekking’ tussen partijen, die elkaars gelijkwaardigen zijn.[30] Tegen deze achtergrond is de primaire functie van burgerlijk procesrecht het bieden van een normatief kader.

Regulering van de ‘autonomie’ van gedingvoerende partijen

Uitgangspunt in ons privaatrechtelijk systeem is dat het elke rechthebbende vrij staat aan het objectieve recht ontleende bevoegdheden uit te oefenen ter verwezenlijking van de burgerlijke rechten, tenzij dit de rechten en belangen van een ander schaadt. In het burgerlijk procesrecht neemt men, mede in het licht van artikel 6 EVRM, nog steeds algemeen aan dat het initiatief tot het voeren van een civiele procedure, tot de voortijdige beëindiging daarvan en tot de voortzetting bij andere (hogere) rechters ligt bij de gedingvoerende partijen. Hun ‘partijautonomie’ strekt zich ook uit tot het bepalen van de inhoud en de omvang van de rechtsstrijd in een bepaalde instantie.[31]
            In privaatrechtelijke regelgeving wordt partijautonomie – ofwel: de vrijheid tot het verrichten van feitelijke en rechtshandelingen – aan banden gelegd door de gebiedende/verbiedende voorschriften en richting gegeven door de veroorlovende voorschriften. Eerstgenoemde voorschriften bevatten de rechtsplichten en wijzen de rechtens te respecteren belangen aan die de daarin bedoelde rechtsnormen beogen te beschermen, te weten specifieke belangen of het algemene maatschappelijke belang bij behoorlijke rechtsbedeling. De veroorlovende voorschriften geven aan in welke gevallen een rechthebbende bevoegd is om voor zijn eigen belangen of voor die van een ander bepaalde handelingen te verrichten.[32]
            Het burgerlijk procesrecht is er ter realisering van aan het burgerlijke recht ontleende materiële aanspraken van rechthebbenden van wie de belangen botsen.[33] Naast ‘procesregels’ van formeel procesrecht bevat het privaatrecht bepalingen van materieel procesrecht (actiënrecht): voorschriften betreffende de rechtsmiddelen tot handhaving van rechten, waaronder de verweermiddelen, de middelen tot bewaring van recht, executiemiddelen, het bewijsrecht en de rechtskracht van een uitspraak.[34] De procedurele voorschriften hebben ten doel om het partijdebat en de procesorde te regelen. De vormvoorschriften hebben regulatieve werking ten aanzien van de wijze waarop de rechter bij middelen uit het actiënrecht behoort te worden aangeroepen, zijn van openbare orde en dienen zo het algemeen belang. De rechter moet naleving daarvan ambtshalve vaststellen. Bij de regels van formeel procesrecht is gewoonlijk op voorhand rekening gehouden met mogelijke misbruiksituaties als het rauwelijks instellen van een procedure,[35] het te laat overleggen van relevante informatie,[36] het traineren van de procesgang door het steeds uitstellen van een proceshandeling[37] of het tussentijds gebruik van een beroepsmogelijkheid.[38] Niet-naleving van wettelijke vormvoorschriften wordt meestal bestraft met de nietigheid van de proceshandeling of de niet-ontvankelijkheid van de aanlegger. De eerste sanctie blijft uit als belangen van een ander niet worden geschaad of, anders gezegd, waar de positie van die ander in de procedure niet is benadeeld.[39] De tweede sanctie blijft buiten toepassing als het belang van de eiser zwaarder weegt dan het met de procesregels te dienen belang.[40] De vooronderstelde misbruiksituatie die formeel procesrecht beoogt te voorkomen, kan na een afweging van de belangen van alle betrokkenen onder omstandigheden worden gedoogd op de grond dat de eisen van een goede procesorde en behoorlijke rechtspleging zich daartegen niet verzetten. Het in beginsel niet-geoorloofde gebruik vindt zijn rechtvaardiging in deze gevallen niet in het door de partij beoogde doel, maar in de dienende functie van het burgerlijk procesrecht: effectieve berechting van de materiële rechtsbetrekking in geschil.[41]
            Binnen de door al deze rechtsnormen getrokken objectieve grenzen zijn de gedingvoerende partijen vrij om hun bevoegdheden van procesrecht uit te oefenen.[42] Het burgerlijk procesrecht bepaalt voor de strijdende partijen zo het ‘keurslijf’ van normen waarin zij zich gedurende een gerechtelijke procedure behoren te gedragen. Daarnaast zullen zij acht moeten slaan op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW), de geschreven en ongeschreven rechtsnormen in artikel 6:162[43] alsmede de eisen van een goede procesorde tegen de achtergrond van de beginselen van behoorlijke rechtspleging (art. 6 EVRM).[44] Een zekere procestactiek is binnen dit normatieve kader niet uitgesloten zolang de gekozen tactiek niet ongeoorloofd is ten opzichte van (de gerechtvaardigde belangen van) de andere procesdeelnemers.[45]


3    Misbruik van procesrecht: géén belang of oog voor andermans belangen


In aanvulling op de waarborgen in het formeel procesrecht tegen ongerechtvaardigd gebruik van middelen tot handhaving van burgerlijke rechten wordt de nodeloze en oneigenlijke uitoefening van bevoegdheden in een civiel proces gesanctioneerd door toepassing van de artikelen 3:13 (rechtsmisbruik) en 3:303 (belangvereiste) BW, door de doorwerking van de eisen van redelijkheid en billijkheid of (ongeschreven) zorgvuldigheidsnormen alsmede door de eisen van een goede procesorde.[46] Of in de woorden van R.J. Polak in 1941: ‘binnen deze geheiligde sfeer dienen derhalve strenger normen van betamelijkheid te gelden dan die, welke in het maatschappelijk verkeer gesteld moeten worden’.[47] Een zelfde systeem is te vinden in, bijvoorbeeld, het Duitse procesrecht waar de ongeschreven rechtsnormen ‘Treu und Glauben’ als bedoeld in §§ 157 en 242 BGB naast het ‘Schikaneverbot’ in § 226 BGB aanvullend werken wanneer bijzondere regels van formeel procesrecht over de toelaatbaarheid van bepaalde proceshandelingen ontbreken.[48]
            Zoals onder het oude BW werd aangenomen voor het verbintenissenrecht,[49] behoren rechthebbenden thans in het algemeen bij de uitoefening van bevoegdheden die hen voor verwezenlijking van burgerlijke rechten ter beschikking staan, rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de ander. Daarnaast behoren zij de belangen van de maatschappij in acht te nemen. Deze ongeschreven rechtsplicht tot een zorgvuldig handelen[50] volgt niet alleen uit artikel 6:162 BW of, meer concreet, artikel 6:2 lid 1 BW dat voorschrijft dat schuldeisers en schuldenaren verplicht zijn om zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar is ook te vinden in de bepaling(en) van artikel 3:13 en 3:303 BW.
            Bij het vaststellen van misbruik van bevoegdheid moet de rechter op grond van artikel 3:13 letten op alle belangen die bij het geval betrokken zijn, waaronder de belangen van derden die men schaadt.[51] Toepassing van de misbruikcriteria uit het tweede lid impliceert toetsing van de bovenbedoelde zorgplicht. Bij uitoefening van een processuele bevoegdheid a. met geen ander doel dan de ander te schaden, b. met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend of c. waartoe men in redelijkheid niet had kunnen komen, worden immers gerechtvaardigde belangen van de andere procesdeelnemer met de voeten getreden. Een zelfde gedachte ligt ten grondslag aan de algemene bepaling in artikel 3:303: zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.[52] Bij de vraag of een eiser een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn rechtsvordering,[53] gaat het er ook om of de gerechtvaardigde belangen van gedaagde niet onnodig en onredelijk worden geschaad. Ter voorkoming van een nodeloos gebruik moet de rechter nagaan of eiser enig belang bij de rechtsvordering heeft en of dit voldoende is om een procedure voor deze rechter te rechtvaardigen. De wetgever heeft in art. 3:303 een evenredigheidscriterium geïntroduceerd, waarbij het niet alleen gaat om een afweging van de belangen van procesdeelnemers maar bovendien om de ‘eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen’ waarop de overheidsrechter ambtshalve moet letten. Waar de misbruikcriteria van artikel 3:13 leiden tot het oordeel dat de partij bij haar proceshandeling rechtens niet een in redelijkheid te respecteren belang heeft, moet de bepaling worden gezien als toepassing van het belangvereiste in artikel 3:303.[54] Omgekeerd kán artikel 3:303 niet een toepassing van artikel 3:13 vormen,[55] niet de ontzegging van misbruik van procesrecht maar het vereiste van voldoende materieel c.q. processueel belang[56] maakt een procedure voor de burgerlijke rechter tot een ‘ultimum remedium’.[57] Het belangvereiste van art. 3:303 BW behoort niettemin met terughoudendheid te worden toegepast.[58] In het algemeen wordt er voldoende belang verondersteld.[59] Slechts bij uitzondering moet de eiser dit bewijzen.[60] Het ontbreken van elk (rechts)belang zal om die reden niet spoedig mogen worden aangenomen.[61]

Ook in een rechtsstrijd behoren partijen zich jegens elkaar zorgvuldig te gedragen

Asser, Vranken en Groen wijzen in de lijn met het bovenstaande terecht op de mede-verantwoordelijkheid van partijen voor een goed procesverloop ten overstaan van de rechter.[62] Gedrag, rechten en plichten van de strijdende partijen worden hun inziens buiten rechte – de ‘voorfase’ – bepaald door de algemene maatschappelijke norm dat partijen rekening moeten houden met elkaars belangen bij beëindiging van het geschil.[63] Deze ongeschreven rechtsnorm is echter niet beperkt tot de voorfase, maar geldt in het burgerlijk procesrecht algemeen. In zijn rechtspraak van de afgelopen vijfentwintig jaar heeft de Hoge Raad over misbruik van processuele bevoegdheid op diverse wijzen beslist. De rechtspraak leert dat de Hoge Raad bij beoordeling van procesrechtsmisbruik onderscheid maakt tussen drie stadia van een rechtsgeschil.[64] Misbruiksituaties kunnen preventief dan wel repressief worden gesanctioneerd.[65]
            In de voorbereidende fase, waar partijen standpunt bepalen en stellingen betrekken, wordt het strijdperk van een mogelijk proces afgetast en proberen zij hun kansen te vergroten door gebruik te maken van de in de wet beschikbare middelen met een voorlopig karakter. Uit de recente rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, dat misbruik van bewijsmiddelen als voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht preventief wordt gesanctioneerd door toepassing van criteria uit artikel 3:13 lid 2.[66] Het in kort geding opnieuw eisen van voorlopige voorzieningen op gelijke gronden kan misbruik van procesrecht opleveren en wordt dan preventief bestraft door niet-ontvankelijkverklaring van de aanlegger.[67] De Hoge Raad lijkt hier artikel 3:303 toe te passen: een eiser heeft alleen dan voldoende belang om hernieuwde behandeling te rechtvaardigen als in het tweede kort geding nieuwe gronden worden aangevoerd. Ook het gedrag van een schuldeiser tegenover een schuldenaar in deze voorfase kan evenwel leiden tot de ontzegging van een ingestelde rechtsvordering op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 248 lid 2). Terwijl vóór 1992 het te lang wachten met het instellen – of vervolgen – van een procedure ookwel werd gezien als misbruik van procesrecht dan wel strijd met de goede procesorde,[68] is thans sprake van rechtsverwerking als de eiser zich gedraagt op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Enkel tijdsverloop of louter stilzitten is niet voldoende. Als gevolg van bijzondere omstandigheden moet bij de gedaagde het gerechtvaardigde vertrouwen zijn gewekt, dat de eiser zijn aanspraak niet geldend zou maken dan wel moet de positie van de gedaagde onredelijk worden benadeeld of verzwaard wanneer deze aanspraak alsnog geldend wordt gemaakt.[69] Standaardvoorbeeld is het geval waar de bewijspositie van de gedaagde nadeliger wordt naar mate de rechtsvordering later wordt ingesteld, of een nieuw verweermiddel later wordt aangevoerd.[70] In geval van rechtsverwerking heeft het belangvereiste in art. 3:303 BW als enkele grond bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de middelen tot rechtsverwezenlijking aan betekenis ingeboet.[71] In de gerechtelijke fase wordt misbruik van processuele bevoegdheden doorgaans (preventief) gesanctioneerd aan de hand van de eisen van een goede procesorde.[72] Dit geldt niet alleen voor het in een laat stadium innemen van een ander standpunt[73] of aandragen van nieuwe grieven en producties, maar ook voor het aanwenden van zelfstandige rechtsmiddelen door een incidentele vordering zoals tot de gerechtelijke ontkentenis.[74] De proceshandelingen mogen de voortgang van de lopende procedure niet onnodig – ‘ingrijpend’ – vertragen (vgl. art. 20 Rv.). Roept een gedingvoerende partij een derde als getuige op die uit eigen wetenschap geen verklaring kan of mag afleggen over het probandum, dan kan deze partij bij volharding misbruik maken omdat zij bij dit bewijsmiddel ‘geen enkel in rechte te respecteren belang’ heeft.[75] Toetsing aan het belangvereiste van artikel 3:303 vindt ook plaats bij beoordeling van de toelaatbaarheid van de (gewone) rechtsmiddelen die partijen in een procedure tegen rechterlijke uitspraken aanwenden.[76] Bij een voortijdige beëindiging van het geding – door het ‘intrekken’ van een rechtsvordering of rechtsmiddel, het afstand doen van de instantie, het laten aankomen op verval van instantie of verstek te laten gaan waarna de gedaagde van de instantie wordt ontslagen – wordt sinds Kijlstra-Zoontjes uit 1994[77] in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat de gerechtvaardigde belangen van de gedaagde(n) moeten zijn gewaarborgd.[78] Na hun verschijning is het aanhangige geding immers van procespartijen samen. Ook in de executoriale fase moeten de gerechtvaardigde belangen van wederpartijen (veroordeelden) in acht worden genomen.[79] Anders dan bij conservatoir beslag waar – na opheffing op de voet van art. 705 Rv. of afwijzing van de eis in de hoofdzaak – een onrechtmatig beslag achteraf aan de hand van de criteria van misbruik van recht wordt gesanctioneerd,[80] kan executie van (on)herroepelijke uitspraken preventief en repressief worden tegengegaan op grond van het misbruik van executiebevoegdheid. Is daarvan sprake, dan kan tenuitvoerlegging in een executiegeschil (art. 438 Rv.) worden verboden.[81] Zo kan de staking van de tenuitvoerlegging van een bij voorraad uitvoerbaar vonnis worden bevolen indien de rechter van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die zullen worden geschaad, niet een ‘in redelijkheid te respecteren belang’ heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan, zoals bij een juridische of feitelijke misslag in het te executeren vonnis of noodtoestand bij de geëxecuteerde waardoor de onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.[82] Zowel voor het conservatoire beslag als voor het executoriaal beslag geldt dat de beslaglegger op eigen risico handelt en de door het beslag geleden schade moet vergoeden als het ten onrechte blijkt te zijn gelegd.[83] In deze laatste fase behoren de strijdende partijen zich tegenover elkaar bij de uitoefening van executiebevoegdheden dus ook steeds behoorlijk te gedragen.[84]
            Waar 100 jaar geleden Van Boneval Faure aan de verschijning van partijen in een geding het formele gevolg verbond dat eisers en gedaagden vanaf dat moment verplicht zijn tot een voortzetting van het geding en hij dit naar de toen geldende rechtsopvatting alleen nog kon verklaren met de ‘fictie’ dat de procespartijen een ‘quasi-contract’ aangaan om het twistgeding door de rechter te doen beslissen,[85] kan met inachtneming van het huidige systeem van de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad worden gezegd dat partijen bij een materiële rechtsbetrekking in geschil zich ook gedurende een civiel proces (de gerechtelijke fase) behoren te gedragen naar de door Asser, Vranken en Groen bedoelde maatschappelijke norm. Hetzelfde geldt bij de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (de executoriale fase). Dat partijen hun geschil uitvechten op het ‘strijdtoneel’ voor de burgerlijke rechter, doet niet af aan hun algemene rechtsplicht om rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en die van de maatschappij bij de beëindiging van hun geschil. In deze lijn betekent het deelnemen aan het aanhangige rechtsgeding dat zij zich in rechte bovendien moeten gedragen naar de eisen van een goede procesorde. De gedachte dat het voeren van een gerechtelijke procedure het einde betekent van de algemene rechtsplicht tot een zorgvuldig handelen tegenover een wederpartij, is niet meer van deze tijd en vindt dan ook geen steun in het huidige recht.[86]

4    En is het nu afgelopen?


De lezer kan zich afvragen of het hierboven geschetste normatieve kader voldoende waarborgen biedt tegen een herhaaldelijk nodeloos en oneigenlijk gebruik van de openstaande middelen tot handhaving van burgerlijke rechten (juridische stalking). Zoals in de inleiding al is opgemerkt, zal dit helaas niet in alle zaken het geval zijn. De rechtspraak van de Hoge Raad laat zien dat de geschilbeslechtende taken van de rechter op zich afdoende kunnen worden toegesneden op de gevallen waarvoor deze worden bedoeld. Het huidige privaatrechtelijke systeem zal evenwel niet kunnen verhinderen dat een proceslustige partij anderen buiten hun macht in rechte betrekt en hen daarbij onnodig en onredelijk op kosten jaagt.
            Een procedeerverbod als in de literatuur door Van der Kwaak is bepleit,[87] en zeker een dergelijk verbod van een zo vergaande strekking als rechtbank Almelo uitsprak, zal niet meer zijn dan ‘een doekje voor het bloeden’. Naar mijn mening is zo’n verbod niet houdbaar in het licht van het ius de non evocando (art. 17 Grw.) en het fundamentele recht van iedere burger op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM).[88] Op voorhand kan en mag niet worden uitgemaakt dat eisers – hoe proceslustig ook – onvoldoende belang hebben bij een volgend proces. Een rechtsvordering mag vooraf niet worden afgesneden. De rechter behoort steeds na te gaan of het belang van de eiser bij de nieuwe rechtsvordering voldoende is om het proces te rechtvaardigen.[89] Onnodig gebruik van de geschilbeslechtende taken van de rechter zal de gedaagde in het nieuwe proces moeten stellen. Het verweer dat de nieuwe procedure onnodig is, vormt echter nog geen grond voor de niet-ontvankelijkheid van de rechtsvordering doch leidt dan hoogstens tot veroordeling van de eiser in de kosten van het geding.[90] In gevallen van herhaaldelijk gebruik van middelen tot handhaving van burgerlijke rechten zoals bij juridische stalking, impliceert de vaststelling door de rechter van het in rechte te beschermen belang van de eiser een beoordeling van de naleving van zijn rechtsplicht om tevens rekening te houden met het maatschappelijke belang bij een behoorlijke rechtsbedeling. Toetsing van een belang is m.i. dan een vraag die de openbare orde raakt en die de rechter ook ambtshalve[91] onder ogen dient te zien.[92] Ontbreekt in geval van juridische stalking voldoende belang bij het nieuwe proces, dan kan de eiser niet-ontvankelijk worden verklaard met veroordeling in de proces-kosten (art. 237 Rv. als ‘kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt’).
            Is daarmee de kous af? Is juridische stalking niet helemaal te voorkomen? Andere maatregelen tegen een dergelijk misbruik van procesrecht dan preventieve toetsing door de rechter aan de hand van het belangvereiste (wordt een in rechte te beschermen belang gediend?) en de misbruikcriteria (heeft de handelende partij een in redelijkheid te respecteren belang?) lijken naast een repressieve sanctionering door middel van schadevergoeding niet goed denkbaar.[93] Met de mogelijkheid om, naast een proceskostenveroordeling, op grond van artikel 6:96 BW in buitengewone omstandigheden vergoeding van de buitengerechtelijke kosten te verkrijgen,[94] is de wetgever van 1992 reeds tegemoet gekomen aan kritiek van oudere schrijvers in de Nederlandse literatuur.[95] Dit was m.i. een stap in de goede richting. Bij gevallen van juridische stalking lijkt mij zeker verdedigbaar dat de gedaagde partij in reconventie op grond van onrechtmatige daad (schending van de algemene plicht tot zorgvuldig handelen) een volledige vergoeding vordert van de buitengerechtelijke kosten die tot dan toe zijn gemaakt, voorzover de eiser weer in het ongelijk mocht worden gesteld.
            Voor het overige zal het op de weg van de wetgever liggen om de rechter dan wel de partijen ook andere maatregelen tegen misbruik van procesrecht ter hand te stellen. Gedacht kan worden aan een repressieve maatregel zoals in het Belgische en Franse procesrecht waar de rechter aan degene die zich aan procesrechtsmisbruik schuldig maakt, een geldelijke boete kan opleggen die aan de Staat wordt voldaan.[96] In navolging van de Franse Code de Procédure Civile worden sinds 1992 ook in het Belgisch Gerechtelijk Wetboek geldboeten voorgeschreven.[97] Mede gelet op artikel 6 EVRM, zal het opleggen van boeten m.i. enkel in buitengewone omstandigheden zijn toegestaan. Zoals bij mogelijkheden tot schadeloosstelling achteraf het geval is, zal naar verwachting een preventieve werking uitgaan van het ‘risico’ dat de rechter in een civiele procedure geldelijke boeten zal kunnen opleggen in de gevallen waar onnodig en onredelijk gebruik wordt gemaakt van het burgerlijk procesrecht.
            Zolang rechthebbenden bij botsing van rechten uitsluitend oog houden voor hun eigen gewin, zal het evenwel met misbruik van procesrecht niet zijn afgelopen. Waar rechtmatig gebruik van burgerlijk procesrecht eindigt, begint zijn misbruik.[98]




[1] Rudolph von Jhering, Der Zweck im Recht, Erster Band, Leipzig 1923, p. 39.
[2] In Engeland is een gebod tot het afzien van een aanhangig gemaakt geding niet ongebruikelijk. Van een ‘antisuit injunction’ is sprake indien een partij wordt veroordeeld een in het buitenland ingestelde rechtsvordering in te trekken omdat het geding ‘vexatious’ of ‘oppressive’ is in het licht van litispendentie-regels uit het ipr. Zie hierover A. Briggs en P. Rees, Civil jurisdiction and judgments, London 2002, nrs. 5.34-5.50. Zie recent ook P. de Meij, Samenloop van CMR-Verdrag en EEX-Verordening (diss. Groningen), 2003, p. 211-212.
[3] Zie over een vordering in kort geding tot intrekken van het appel in een echtscheidingsprocedure bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 1991, NJ 1992, 67 en het beroepen vonnis van de president kenbaar uit KG 1991, 307. Het hof bekrachtigde toen het afwijzend vonnis, kort gezegd, omdat de rechtsvordering strijdig is met het procesrechtelijk systeem en art. 17 Grw. en aan een dergelijke bevel het karakter van voorlopige voorziening zou ontbreken (rov. 4.1).
[4] Begin 20e eeuw hadden vooral Franse rechtsgeleerden zich gezet tot wetenschappelijk onderzoek van het begrip misbruik van recht. Zie over het procesrechtsmisbruik o.m. Garsonnet/Cézar-Bru, Traité Théorique et Pratique de Procédure Civile et Commerciale I, Paris 1912, nrs. 359-362 en Japiot, Traité Élémentaire de Procédure Civile & Commerciale, Paris 1916, nrs. 65-68.
[5] Zie J. van Baars, Point d’intérêt, point d’action (diss. Amsterdam VU), 1971 met verwijzingen.
[6] Zie bijv. HR 4 januari 1881, W. 4661 over een ongeoorloofd gebruik (misbruik) van lijfsdwang: het dwangmiddel is de schuldeiser niet gegeven om hem te dwingen een procedure te staken.
[7] Zie vanaf 1 januari 2002 art. 237 Rv.
[8] W.L. Haardt, Veroordeling in de kosten van het burgerlijk geding, diss. Leiden 1945, p. 21 en
p. 31-33. Zie voor rechtspraak over een onredelijke houding of de overbodigheid van een proces D. Léon, De rechtspraak van den Hoogen Raad II, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 1-97), bewerkt door W. van Rossum Bz., ’s-Gravenhage: Belifante 1885, p. 142-159 onder punt 8, 32 en 47. Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering 1 (losbl.), Asser, art. 56 oud, aant. 7.
[9] HR 31 januari 1919, NJ 1919, p. 161.
[10] HR 17 februari 1927, NJ 1927, 391 m.nt. PS. Zie eerder reeds HR 26 mei 1926, NJ 1926, p. 723 m.nt. PS t.a.v. wetsontduiking.
[11] Zie m.n. HR 15 juni 1928, NJ 1928, p. 1604 m.nt. EMM. Zie verder HR 13 juni 1928, NJ 1928, p. 1379; HR 14 december 1934, NJ 1935, p. 95 m.nt. EMM en HR 26 juni 1942, NJ 1942, 585.
[12] HR 4 september 1942, NJ 1942, 617. Vaste rechtspraak: zie bijv. HR 30 september 1983, NJ 1984, 183 m.nt. G (géén misbruik) en Hof Den Haag 10 januari 1996, NJ 1997, 75 (wèl misbruik).
[13] Art. 226 BGB 1896 luidt: ‘Die Ausübung eines Rechtes ist unzulässig, wenn sie nur den Zweck heben kann, einem anderen Schaden zuzufügen’. Zie voor een toepassing van dit ‘Schikaneverbot’ in het Duitse procesrecht §§ 114 en 296 ZPO Zie hierover J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Erstes Buch, Allgemeiner Teil §§ 164-240, Berlin: Sellier-de Gruyter 2001, p. 772-773 (par. 4) met verdere verwijzingen.
[14] Volgens Meijers is de vraag of iemand zonder redelijk belang heeft gehandeld, geen andere dan of hij heeft gehandeld anders dan in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Zie ook zijn lezing over ‘Misbruik van recht en wetsontduiking’ opgenomen in VPO I, p. 62-81 (zie i.h.b. p. 73 e.v.).
[15] HR 26 juni 1959, NJ 1961, 553 m.nt. DJV: hoger beroep dat opzettelijk aan het einde van de appeltermijn was ingesteld met geen ander doel dan ‘zonder enig in redelijkheid te respecteren belang’ de niet-ontvankelijkheid van de ander in de eis in conventie te bewerken, merkte de HR aan als ongeoorloofde wijze van procederen nu het erop gericht was de wederpartij, onrechtmatig, in de procedure nadeel toe te brengen.
[16] HR 17 april 1970, NJ 1971, 89 m.nt. PhANH (grensoverschrijdende garage): rechtsvordering tot amotie wordt misbruikt wanneer de eiser bij afweging van de betrokken belangen naar redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn recht van amotie had kunnen komen.
[17] F.G. Scheltema, ‘Misbruik van recht’, WPNR 3417, 3419 en 3420 (1935); R.J. Polak, ‘Misbruik van procesrecht’, NJB 1941, p. 765-775, 789-803; Meijers, t.a.p., p. 77-81; R.P. Cleveringa, ‘Het belang der vordering’, RMTh 1964, p. 219-277. Zie ook de proefschriften W.B. Helmich, De theorie van het rechtsmisbruik in het Romeinsche, Fransche en Nederlandsche recht (diss. Nijmegen), 1945, p. 33, p. 52-58, p. 125-128 en p. 139-143; N. Okma, Misbruik van recht (diss. Amsterdam VU), 1945, p. 123-139 en 164-165 en de inaugurele rede van W.L. Haardt, Fair play in het burgerlijk geding (oratie Leiden), 1958 alsook de preadviezen (NOvA) van S. Gerbrandy en G.A. de Cocq, ‘Gebruik en misbruik van procesrecht’, Adv.bl. 1959, p. 325-396.
[18] P. Rodenburg, Misbruik van bevoegdheid (Mon. Nieuw BW A-4), Deventer: Kluwer 1985.
[19] A.A.S. Zuckerman (ed.), Civil Justice in crisis: Comparative Perspectives of Civil Procedure, Oxford University Press, Oxford/New York 1999 (reprinted 2001).
[20] M. Taruffo (ed.), Abuse of Procedural Rights: Comparative Standards of Procedural Fairness, Kluwer Law International, The Hague 1999.
[21] B.T.M. van der Wiel, ‘Onrechtmatig ageren: preventie en repressie van misbruik van proces-bevoegdheid’, in: Recht(er) en belang, BW-krant jaarboek 17, Deventer: Kluwer 2001, p. 27-42; D.J. van der Kwaak, ‘Kan procederen onrechtmatig zijn?’, WPNR 6500 (2002), p. 579-585.
[22] W.D.H. Asser, H.A. Groen en J.B.M. Vranken m.m.v. I.N. Tzankova, Interimrapport Funda-mentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht, Den Haag: Boom 2003 (Interimrapport).
[23] Bijv. HR 11 april 2003, NJ 2003, 440 (conservatoir beslag voor te groot bedrag) en HR 12 september 2003, JOL 2003, 426; RvdW 2003, 140 (misbruik van voorlopig deskundigenbericht).
[24] EHRM 21 februari 1975, NJ 1975, 462 m.nt. EAA (Golder).
[25] Het recht op een proces, waarvan het recht op toegang tot een rechter een element vormt, is niet beperkt tot de rechtsgang maar omvat tevens de tenuitvoerlegging van beslissingen. Zie EHRM 19 maart 1997, NJ 1998, 434 (Hornsby) en EHRM 28 juli 1999, NJ 2000, 470 m.nt. EAA (Saffi).
[26] Zie m.n. EHRM 28 mei 1985, NJ 1991, 623 m.nt. EAA (Ashingdane) en EHRM 8 juli 1986, A 102, § 194 (Lithgow).
[27] Zie Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2002, nrs. 38 en 53; P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. Rotterdam 1996, p. 17-79.
[28] De grondwet bevat niet een recht op civiele rechtspraak. Art. 17 (ius de non evocando) biedt een garantie dat burgers niet tegen hun wil worden afgehouden van een in de wet aangewezen rechter. Zie A.F.M. Brenninkmeijer, De toegang tot de rechter (diss. Tilburg), 1987, p. 71 en Van der Pot-Donner/Prakke, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2001, p. 364.
[29] Zie in deze zin bijv. W.H. Heemskerk, Vorderingsrecht en rechtsvordering: over actiënrecht en Boek 3 Titel 11 Ontwerp-B.W. (oratie Amsterdam VU), 1974, p. 16; A.R. Bloembergen, Ubi iudicia deficiunt incipit bellum : het beroep op de rechter in onze volgroeide rechtsstaat, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 21-23; Snijders/Ynzonides/Meijer (2002), nr. 56. Anders het Interimrapport, par. 4.3 gelezen in samenhang met 4.5 (zie ook p. 93).
[30] Zie de MvT bij de wet van 16 december 1993 (Stb. 1993, 650) houdende de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie: Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 38-39.
[31] Partijautonomie wordt vooropgesteld in art. 1:1 lid 1 BW. Zie over (grenzen aan) de autonomie van procespartijen in relatie tot de taken van de civiele rechter W.D.H. Asser in: De taakopvatting van de rechter, Den Haag: Boom 2003, p. 27-37 en vooral par. 2.1. Zie over een ‘uitholling’ van partijautonomie als procesr. beginsel het Interimrapport, par. 6.2.4 en 6.2.6 waarover kritisch H.J. Snijders, NJB 2003, p. 1700 en instemmend J.M. Barendrecht, NJB 2003, p. 1853 bij noot 50.
[32] Asser-Scholten, Algemeen deel, Zwolle: Tjeenk Willink 1974, p. 12-19. Vgl. H.J. van Eikema Hommes, De samengestelde grondbegrippen der rechtswetenschap, Zwolle: Tjeenk Willink 1976.
[33] Zie Asser-Vranken, Algemeen deel, Zwolle: Tjeenk Willink 1995, blz. 19 verwijzend naar de bijdrage van Th.B. Ten Kate in de Haardt-bundel (Een goede procesorde), p. 71-82. Zie ook W.H. Heemskerk in zijn noot onder NJ 1983, 777 en dezelfde, RMTh 1971, p. 336-341. Vgl. MvA II bij eerdergenoemde wet: Kamerstukken II, 1992/93, 22 495, nr. 6, p. 37.
[34] Zie Heemskerk, oratie, p. 3 en Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Den Haag: Elsevier 2002, nr. 1. Zie hierover voorts Burgerlijke Rechtsvordering 1 (losbl.), Asser, Boek I opschrift, aant. 2 (oud) met verdere gegevens.
[35] Om ontvankelijk te zijn moeten bijv. de verzoekers van enquête hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken eerst kenbaar maken aan het bestuur en de RvC opdat deze bezwaren kunnen worden onderzocht en tijdig maatregelen kunnen worden genomen (art. 2:349 lid 1 BW). Zo ook moet, op straffe van nietigheid, een huuropzegging bij woonruimte de gronden vermelden en moet verhuurder 6 weken de reactie van huurder afwachten; zie art. 7:271 (7A:1623b oud) lid 4 BW.
[36] Zie bijv. de waarheidsplicht (art. 21 Rv.) en de bewijsaandraagplicht (art. 111 lid 3; 128 lid 5).
[37] Daarom zijn procespartijen bijv. krachtens art. 1.3 Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken (Stcr. 2001, 249, p. 75) – in beginsel – gebonden aan de daar voorgeschreven wijze en termijnen van procesvoering. Bij niet-naleving kan de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hem passend voorkomt (art. 1.5) of vervalt het recht om de proceshandeling te verrichten (art. 1.7).
[38] Vanaf 2002 geldt in de dagvaardingsprocedure in beginsel een algeheel verbod tot tussentijds beroep (art. 337 en 401a lid 2 Rv.) zoals eerder al in de rekestprocedure (art. 358 en 426 lid 4 Rv.).
[39] Bijv. art. 66 Rv.: alleen nietigheid als een gebrek in het exploot de ander onredelijk benadeelt.
[40] Zie de vaste rechtspraak sinds het standaardarrest HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242 m.nt. WHH en LWH (Enka/Dupont) over doorbreking van het appelverbod waar de hogere voorziening o.m. is toegelaten als een artikel met verzuim van essentiële vormen is toegepast door veronachtzaming van de fundamentele beginselen van behoorlijke procesvoering (art. 6 EVRM).
[41] Zie over de deformalisering in het burgerlijk procesrecht W.D.H. Asser, Fair, redelijk en billijk (oratie Leiden), 2000, p. 7-14; Asser-Vranken, Algemeen deel (1995), nrs. 30-35. Zie voor deze materie in het Belgische procesrecht de mooie bijdrage van R. de Corte, J. Laenens, P. Taelman en K. Broeckx in: De norm achter de regel (Storme-bundel), Deurne: Story-Scientia, p. 47-82.
[42] Zie hierover het Interimrapport, p. 66. Vgl. Asser-Scholten, Algemeen deel (1974), p. 20.
[43] Een dynamische i.p.v. statische beschouwing van de materiële rechtsbetrekking in geschil zoals medio vorige eeuw is bepleit door Eggens en Van Apeldoorn, is thans heersende rechtsopvatting. Zie hierover o.m. Heemskerk, oratie, p. 12-16; J.H.M. van Erp, Contract als rechtsbetrekking (diss. Tilburg), 1990, p. 284-292; W.A.J.P. van den Reek, Mededelingsplichten in het burgerlijk procesrecht, (diss. Tilburg), 1997, p. 219-225; C.E. du Perron, Overeenkomst en derden (diss. Amsterdam UvA), 1999, p. 84. Zie ook H.J. Snijders in zijn noot onder NJ 1996, 299 (punt 6) en Interimrapport, p. 40-45.
[44] Zie ook Snijders/Ynzonides/Meijer (2002), nr. 54 in en rondom noot 169 met verdere gegevens.
[45] Vgl. Star Busmann-Rutten-Ariëns, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, Haarlem: Bohn 1972, nr. 12: ‘dubbelzinnige, onware beweringen, het rekken van het geding’.
[46] Zie W.D.H. Asser in: Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht, Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 513-533, zijn oratie uit 2000, p. 13 e.v. en in: Hoofdstukken Nederlands-Antilliaans en Arubaans recht, Den Haag: Boom 2003, par. 2.9. Zie ook P. Scholten onder NJ 1939, p. 1012 die de eisen van een goede procesorde vergelijkt met de goede trouw in het contractenrecht (p. 1644). Ook in België heeft dit onderwerp veel aandacht gehad. Zie vooral M.E. Storme in de Ronse-bundel (1986), p. 67-89 en dezelfde in TvPr 1990, p. 353-543; P. Taelman, TvPr 1988, p. 89-125.
[47] NJB 1941, p. 792 (zie ook p. 795-796).
[48] Zie Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch (Roth), Band 1 Allgemeiner Teil §§ 1-240 AGB, München: Beck 2001, nrs. 69-71 en A. Hammerstein, ‘Te goeder trouw procederen’, TvPr 1990, p. 1595-1613.
[49] Zie m.n. HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 m.nt. LEHR (Baris/Riezenkamp), welk standaard-arrest door Schoordijk ‘aan het begin’ wordt gedacht ‘van een nieuwe tijd’ (H.C.F. Schoordijk, De privaatrechtelijke rechtscultuur van de twintigste eeuw in context, Amsterdam: KNAW 2003, p. 22). Zie eerder T-M bij art. 8 Ontwerp-BW (art. 3:13), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1038-1040.
[50] Volgens Snijders/Ynzonides/Meijer (2002), nrs. 29 en 30 is hier zelfs sprake van een ‘algemeen zorgvuldigheidsbeginsel’. Zoals de auteurs opmerken, ontbreekt in het privaatrecht een ‘algemene wettelijke bepaling voor zorgvuldig gedrag van partijen’. Zie voor het fiscaal bestuursprocesrecht daarentegen het materiële zorgvuldigheidsbeginsel in art. 3:4 lid 2 Awb zoals besproken in de bijdrage van Lennard Claassen en Wendy van der Vegt elders in deze bundel.
[51] Zie de T-M, Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1040: misbruik is aanwezig wanneer geen weldenkend mens in redelijkheid tot de uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen (vgl. art. 3:12).
[52] Aangenomen wordt dat deze regel is afgeleid van het adagium ‘point d’intérêt, point d’action’ of het adagium ‘de minimis non curat praetor’ (de praetor bekommert zich niet om kleinigheden).
[53] De regel geldt voor alle middelen tot rechtsverwezenlijking: rechtsmiddelen, verweermiddelen, bewijsmiddelen, dwang- en executiemiddelen. Zie in deze zin T-M, Parl. Gesch. Boek 3, p. 915.
[54] Zie in deze zin HR 12 september 2003, JOL 2003, 426; RvdW 2003, 140 waar het oordeel dat het verzoek tot voorlopig deskundigenbericht van ‘ieder redelijk belang is ontbloot’, in stand bleef onder verwijzing naar het evenredigheidscriterium uit art. 3:13 lid 2 (geval c) BW.
[55] Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 916: vanwege het meewegen van het algemeen belang valt het hier bedoelde evenredigheidscriterium niet samen met dat in art. 3:13 lid 2. Zie in deze zin ook HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 (Jeffrey): art. 3:303 is niet een toepassing van art. 3:13 lid 2. Schrijvers zoals Snijders/Ynzonides/Meijer (2002), nr. 59 en Van der Wiel, t.a.p., p. 40 verdedigen een tegengesteld standpunt.
[56] Zie over het onderscheid tussen een processueel en materieel belang Onrechtmatige daad II.1 (losbl.), Deurvorst, aant. 151-163 en Onrechtmatige daad II-B (losbl.), Van Nispen, nr. 215 (oud).
[57] Het belangvereiste is dan ook dé maatstaf ter rechtvaardiging van middelen tot handhaving. Zie in deze zin ook Vincent/Guinchard, Procédure civile, Paris: Dalloz 2001, nr. 100: ‘«L’intérêt est la mesure des actions. Pas d’intérêt, pas d’action.» Avoir intérêt, telle est bien la condition première’.
[58] Zie bijv. HR 17 september 1993, NJ 1994, 118 en HR 18 februari 1994, NJ 1994, 406. Zie ook H.E. Ras in zijn noot onder NJ 1994, 118; A-G Vranken vóór HR 20 januari 1995, NJ 1995, 273 en A-G Bakels vóór HR 27 november 1998, NJ 1998, 764.
[59] Hetzelfde geldt bijvoorbeeld in het Duitse recht. Zie Zöller, Zivilprozessordnung (Vollkommer), Köln: Schmidt 2002, p. 214, Vor § 50 nr. 44 onder bb en cc.
[60] T-M, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 915.
[61] Zie ook Gerbrandy, t.a.p., Adv.bl. 1959, p. 325; D.J. Veegens in zijn noot onder NJ 1973, 325.
[62] Interimrapport, par. 6.3 en 6.6. Asser is hierop uitvoerig ingegaan in zijn zeer lezenswaardige preadvies voor de NVvP over Verantwoordelijk procederen, Den Haag: Boom 1999, par. 2-8.
[63] Interimrapport, par. 7.2. Dit zou een basis vormen voor toepassing van art. 3:13 (p. 123-124).
[64] Zie voor een rechtspraakoverzicht Vermogensrecht 1 (losbl.), Den Tonkelaar, art. 13, aant. 17.
[65] Zie over het preventief en repressief sanctioneren reeds R.J. Polak, NJB 1941, p. 773. Zie onder het huidig recht Van der Wiel, t.a.p., par. 5 en 6.
[66] Vaste rechtspraak voor het voorlopig getuigenverhoor sinds HR 1 februari 1963, NJ 1964, 157 m.nt. JHB en HR 6 februari 1987, NJ 1988, 1 m.nt. WHH. Voor het voorlopig deskundigenbericht is recent aangesloten bij NJ 1988, 1: HR 12 september 2003, JOL 2003, 426; RvdW 2003, 140.
[67] Zie HR 8 oktober 1993, NJ 1994, 508 m.nt. HJS; HR 16 december 1994, NJ 1995, 213 en recent HR 11 juli 2003, JOL 2003, 374 (art. 81 RO). Volgens HR 27 mei 1983, NJ 1983, 600 was er nog sprake van strijd met de goede procesorde. Zie over dat verschil H.J. Snijders onder NJ 1994, 508.
[68] Zie o.m. J.B.M. Vranken in zijn noot onder HR 11 maart 1988, NJ 1988, 611 (onder punt 2d).
[69] Zie voor rechtsverwerking in het burgerlijk procesrecht bijv. HR 18 september 1992, NJ 1993, 48 m.nt. HER (desaveu) en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602 m.nt. DWFV (kort geding).
[70] Zie HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299 m.nt. HJS: aan de appellante kwam daar als gevolg van eigen gedragingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer het recht toe zich erop te beroepen dat zij in haar verhouding tot de cessionaris niet als debiteur kon worden aangemerkt.
[71] Vgl. J.B.M. Vranken en A. Hammerstein, Beëindigen en wijzigen van overeenkomsten (Mon. Nieuw BW A-10), Deventer: Kluwer 2003, nr. 15 die aan rechtsmisbruik als toetsingsgrond voor het gebruik van andere wilsrechten zoals opschortingsbevoegdheden thans nog weinig betekenis toekennen naast de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
[72] In het Interimrapport, p. 88 (‘sanctie en prikkel’) wordt deze regulatieve werking van de eisen van een goede procesorde bij gevallen van misbruik van procesrecht buiten beschouwing gelaten.
[73] Bijv. HR 1 maart 2002, NJ 2003, 355 m.nt. HJS (koerswijziging in hoger beroep).
[74] HR 5 september 2003, JOL 2003, 417 (desaveu).
[75] HR 19 september 2003, JOL 2003, 448; RvdW 2003, 149: verschijning was daar ‘zinloos’.
[76] Zie m.n. Snijders/Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2003, par. 306 en Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle: Tjeenk Willink 1989, nr. 50 en W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, Nijmegen: Ars Aequi 2003, par. 5.2 met verwijzingen naar de rechtspraak.
[77] HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 m.nt. HER. In de voorafgaande conclusie had A-G Vranken de kwestie nog uitvoerig besproken d.m.v. het leerstuk misbruik van procesrecht (onder 12-36).
[78] Zie HR 4 april 2003, NJ 2003, 417 (ontslag van instantie) en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent. Zie ook J.E. Bosch-Boesjes, Voortijdige beëindiging van civiele procedures, Deventer: Kluwer 1998; J.H.F. Schultz van Haegen en M.E. Bruning, ‘En nu is het afgelopen!’, TCR 1997, blz. 25-29; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Sterk, aant. 2-3 bij Boek I, titel 3, afd. 15 (oud).
[79] Zie bijv. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 m.nt. WHH en HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 6 (ontruiming); HR 3 april 1987, NJ 1988, 276 m.nt. WMK (reële executie); HR 2 oktober 1998, NJ 1998, 852 (executoriaal beslag) en de conclusie van A-G Bakels vóór dat arrest (onder 2.5).
[80] Zie o.m. HR 24 november 1995, NJ 1996, 161 en HR 11 april 2003, NJ 2003, 440 (rov. 4.5.2) besproken door A.I.M. van Mierlo, AA 2003, p. 773-778. Zie voorts het Interimrapport, p. 123.
[81] Zie o.m. HR 30 oktober 1992, NJ 1993, 4 en HR 5 november 1993, NJ 1994, 154 m.nt. PAS.
[82] Vaste rechtspraak: zie o.m. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 m.nt. WHH (Ritzen/Hoekstra).
[83] Zie voor schadeplicht bij vexatoir conservatoir beslag bijv. HR 9 november 1962, NJ 1963, 336; HR 15 april 1965, NJ 1965, 331 m.nt. DJV en HR 4 september 1998, NJ 1998, 850. Zie in geval van executoriaal beslag HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB. Zie over onrechtmatige beslaglegging en risicoaansprakelijkheid Ynzonides, Executie en Beslag (Vademecum BPr), 2001, par. 2.21; L.P. Broekveldt, Derdenbeslag (diss. Leiden), 2003, nrs. 408-410 met verdere gegevens.
[84] Zie in dezelfde zin Oudelaar, Executie en Beslag (Vademecum BPr), 2001, par. 1.9.1, p. 18-19. De vraag of bij conservatoir beslag misbruik is gemaakt, beantwoordt A-G Huydecoper eveneens naar ‘de norm, of die gedraging in de gegeven omstandigheden als – duidelijk – onbehoorlijk kan worden aangemerkt’ (conclusie vóór HR 13 juni 2003, NJ 2003, 521 onder 9-16). Of het belang van een beslaglegger rechtens voldoende was, kan inderdaad vooraf niet goed worden vastgesteld.
[85] R. van Boneval Faure, Het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht II, Leiden 1900, p. 143-144.
[86] Niettemin schrijft V.C.A. Lindijer recentelijk in: Algemeen-Bijzonder, Den Haag: Boom 2003, p. 193: ‘De inzet van iedere partij is het winnen van de strijd ten koste van de ander. (…) Het conflictkarakter rechtvaardigt (…) in het proces een andere omgangsnorm’.
[87] Van der Kwaak, t.a.p., WPNR 6500 (2002), p. 585.
[88] Zie in deze zin ook bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 1991, NJ 1992, 67; KG 1991, 307.
[89] Raakt het ontbreken van belang niet de openbare orde, dan mag de rechter op deze rechtsgrond de vordering niet ambtshalve afwijzen als dit verweer niet ten processe is aangevoerd; in dat geval zou de rechter een feitelijk verweer bijbrengen (HR 24 november 1978, NJ 1980, 88 m.nt. WHH).
[90] HR 17 september 1993, NJ 1994, 118 m.nt. HER.
[91] Zie HR 30 mei 1951, NJ 1951, 29 waarop de HR niet is teruggekomen in zijn arrest NJ 1980, 88 (vgl. Heemskerk in zijn noot). Zie voorts Parl. Gesch. Boek 3, p. 916 (MvA II); J.J. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden in het burgerlijk geding (diss. Leiden), 1970, nr. 116.
[92] Met A-G Wesseling-van Gent (conclusie vóór HR 15 juni 2001, JOL 2001, 373 onder 2.11) meen ik dat het onderscheid tussen processueel en materieel belang bij toetsing van een belang niet erg helder is en moeilijk te maken is, nu het volgens art. 3:303 steeds gaat om het belang dat een procedure kan rechtvaardigen. Vgl. Heemskerk onder NJ 1980, 88; Vriesendorp, a.w., p. 160.
[93] Zie over de doeleinden en effecten van civielrechtelijke sancties in het hedendaagse privaatrecht C.J.J.C. van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. Nieuw BW A-11), Deventer: Kluwer 2003 en S.D. Lindenbergh in de gelijknamige BW-krant jaarboek 19, Deventer: Kluwer 2003.
[94] Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a. (Inv. Bk. 3, 5 en 6), p. 36: ‘volledige vergoedingsplicht is wel denkbaar, doch alleen in buitengewone omstandigheden (…). Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad.’ Zo ook reeds D.J. Veegens onder NJ 1973, 325.
[95] Zie bijv. Scheltema, t.a.p., WPNR 3419, p. 318 en Polak, t.a.p., NJB 1941, p. 773-775.
[96] Aldus wordt gehoor gegeven aan de oproep tot sanctie en prikkel in het Interimrapport, p. 89: ‘Ook vergoeding van door onoorbaar procesgedrag bij de wederpartij of de overheid veroorzaakte schade verdient als sanctie overweging’.
[97] Zie in Frankrijk: art. 32-1 NCPC voor de eerste aanleg en art. 559 NCPC voor het hoger beroep (‘dilatoire ou abusif’). Zie in België: art. 1072bis Ger.W. voor het appel (‘tergend of roekeloos’) waarover A. Dondi en P. Taelman in: Abuse of Procedural Rights (1999), p. 117-121 en 134-135.
[98] Naar de beroemde formulering van Planiol in zijn Traité élémentaire de droit civil II (nr. 871): ‘Le droit cesse où l’abus commence’, waarover Scheltema, t.a.p., WPNR 3417, p. 294-295.

maandag 5 november 2012

Symposium Civiele Cassatie - lancering leergang civiele cassatie-advocatuur


Symposium Civiele Cassatie

Eerste ervaringen met de nieuwe regimes in cassatiezaken

Dinsdag 4 december 2012 van 15.00 tot 19.00 uur, te Leiden

Sinds 1 juli 2012 hebben we in Nederland een nieuw regime voor cassatiezaken. Voorts kan de Hoge Raad bepalen welke zaken hij in behandeling neemt. Wat zijn de eerste ervaringen? Wat zijn de contouren van het nieuwe 'cassatielandschap'?

Zie bijvoorbeeld  HR 28 september 2012, NJ 2012, 548 en de zaken over arbeidsongevallen, afgedaan met artikel 81 RO, waaronder HR 19 oktober 2012, LJN  BX7591 (zie onderdeel 3.7.2 van de conclusie).

Tijdens het symposium zullen gerenommeerde sprekers uit de cassatiepraktijk op deze vragen ingaan. De bijeenkomst wordt afgesloten met een ‘walking dinner’, bij welke gelegenheid u met vakgenoten en sprekers kunt napraten.

Dagvoorzitter
Prof. mr. A.G. Castermans, voornoemd

Sprekers
Mr. E.J. Numann, voorzitter van de civiele kamer van de Hoge Raad
Prof. mr. H.A. Groen, voorzitter Commissie Vakbekwaamheidseisen Civiele Cassatieadvocatuur, Honorair Hoogleraar Cassatie en Procesrecht Universiteit Maastricht
Mr. D.M. de Knijff, cassatieadvocaat te Den Haag (Ekelmans & Meijer Advocaten), portefeuillehouder cassatie Raad van Toezicht van de Haagse Orde van Advocaten, bestuurslid van de Vereniging Civiele Cassatie Advocaten
Prof.dr. mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht aan de Universiteit van Tilburg (oud-cassatieadvocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn).

Onderwerpen

De verander(en)de rol en (nieuwe) taken van de Hoge Raad in burgerlijke zaken onder het nieuwe cassatieregime met art. 80a RO.
De prejudiciële "verwijzingsprocedure".
De openstelling van de landelijke cassatiebalie met de daaraan te stellen kwaliteitseisen om de Hoge Raad onder het nieuwe cassatieregime optimaal te bedienen door (alleen) die cassatiezaken aan te brengen die er juridisch en maatschappelijk ertoe doen en tot juridisch richtinggevende uitspraken uitnodigen.

Programma
In elke bijdrage is discussieruimte ingebouwd

14:30 – 15:00 uur:    Ontvangst met koffie/thee, registratie
15:00 – 15:30 uur:    Welkom en inleiding door prof.mr. A.G. Castermans
15:30 – 16:20 uur:    Mr. H.A. Groen  (vanuit het perspectief van de vakbekwaamheidseisen)
16:20 – 17:10 uur:    Mr. D.M. de Knijff  (vanuit het perspectief van de advocatuur)
17:10 – 17:20 uur:    Pauze
17:20 – 18:10 uur:    Mr. E.J. Numann  (vanuit het perspectief van de Hoge Raad)
18.10 – 19.10 uur:    Forumdiscussie onder leiding van de dagvoorzitter
                                     Als vakreferent zal aanwezig zijn Prof.dr.mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai
19.10 uur:                Afsluiting door dagvoorzitter
19.15 uur:                Aanvang ‘Walking Dinner’

Start specialisatieopleiding

De Universiteit Leiden start in maart 2013 met een specialisatieopleiding die voorbereidt op het examen Civiele Cassatieadvocatuur (artt. 7 en 8 Reglement Vakbekwaamheidseisen Civiele Cassatieadvocatuur). Het symposium op 4 december 2012 is tevens de ‘lancering’ van de nieuwe opleiding. Nadere informatie ontvangt u bij inschrijving.

Niveau

** Verdiepingsniveau (minimaal 1 jaar ervaring in het betreffende vakgebied, basiskennis procesrecht is vereist).

Doelgroep
Advocatuur en rechterlijke macht.

Cursusprijs

€ 250,- (vrij van BTW) per persoon, inclusief buffetdiner en consumpties.

Leden van de rechterlijke macht betalen een reductieprijs van 150 euro.

VCCA-leden ontvangen 10% korting

dinsdag 18 september 2012

Laatste traditionele rolzitting oude stijl bij de civiele kamer

Op 29 juni 2012 laatste traditionele rolzitting
vóór nieuw cassatieregiem


Op vrijdag 29 juni 2012 heeft de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden voor de laatste keer onder het oude cassatieregiem zijn traditionele rolzitting gehouden, waar ten overstaan van de rolraadsheer de vertegenwoordigers van de Haagse cassatiekantoren nieuwe zaken introduceren, rolhandelingen verrichten, de openbare uitspraken aanhoren en na afloop gedingstukken in cassatie over en weer in persoon uitwisselen.

Aan deze eeuwenoude traditie die generaties cassatieadvocaten sinds 1838 elkaar hebben overgedragen, zal een einde komen na de inwerkingtreding van de Wet versterking cassatierechtspraak per 1 juli 2012, omdat deze wetswijziging een landelijke cassatiebalie heeft geïntroduceerd en daarmee het nu mogelijk maakt dat ook advocaten van buiten het Haagse arrondissement bij de civiele kamer zelfstandig en op eigen naam kunnen procederen zonder verplichte procesvertegenwoordiging door hun Haagse advocaat-procureur.

Portefeuillehouder Cassatie van de Haagse Raad van Toezicht mr. David M. de Knijff bood de Hoge Raad en alle aanwezigen na afloop van de rolzitting een gesigneerde taart aan en prees de wijze waarop de Hoge Raad de rolzittingen sinds 1838 heeft verzorgd. Rolraadsheer mr. J.C. van Oven bedankte namens de civiele kamer de leden van Haagse cassatiebalie voor hun bewezen diensten en maakte van de gelegenheid gebruik om de decennialange rolministerie van "huisdeurwaarder" bij de Hoge Raad mevrouw Bakhuis te prijzen.

Een nieuw tijdperk doet nu echt zijn intrede. Prejudiciële vragen kunnen ter beantwoording worden voorgelegd aan de civiele kamer waarbij belanghebbende derden zich in de procedure tussen andere partijen kunnen mengen om als zogeheten "amicus curiae" hun visie te laten geven in een "brief" die een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden voor hen indient.

Civiele cassatieberoepen kunnen nu ook worden ingesteld door cassatieadvocaten van buiten Den Haag, die als advocaten bij de Hoge Raad zijn ingeschreven op het tableau voor de landelijke cassatiebalie; Haagse cassatieadvocaten blijven niettemin in ieder geval tot 1 juli 2014 van rechtswege bevoegd om in die hoedanigheid op te treden en zullen na die datum ook moeten voldoen aan de nieuwe inschrijvingseisen waarmee de kwaliteit van de cassatieadvocatuur wordt gewaarborgd.

woensdag 20 juni 2012

Reglement civiele kamer voor prejudiciële vragen per 1 juli 2012

Op 4 juni 2012 is gepubliceerd het reglement prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad (Stcrt. 2012, nr. 10675) welk reglement tegelijkertijd met de gelijknamige wet in werking treedt per 1 juli 2012 en betrekking heeft op de behandeling van zaken waarin op de voet van art. 392 Rv. door een daartoe bevoegde lagere (feiten)rechter - rechtbank of gerechtshof - een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad is gesteld.

De prejudiciële procedure maakt mogelijk dat niet alleen procespartijen in de lopende civiele rechtsgang schriftelijk of mondeling toelichting kunnen geven om de Hoge Raad hun standpunt nader toe te lichten, maar ook derden met tussenkomst van een cassatie-advocaat schriftelijk of mondeling reageren op de door de lagere (feiten)rechter gestelde, voor gelijksoortige andere zaken relevante, rechtsvragen als bedoeld in art. 393 e.v. Rv.

De wijze waarop prejudiciële vragen bij de Hoge Raad worden behandeld tot de conclusie van de Procureur-Generaal ziet er als volgt uit:
Aanvang procedure bij de Hoge Raad3.1 De griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, zendt een afschrift van die beslissing toe aan de griffier van de Hoge Raad. De griffier van de Hoge Raad bevestigt de ontvangst.
3.2 De griffier tekent de ontvangst van een verzoek om beantwoording van een prejudiciële vraag aan in een register dat ter griffie wordt bijgehouden. De griffier doet van de ontvangst mededeling op de website van de Hoge Raad.
3.3 De griffier stelt de beslissing in handen van de Eerste meervoudige kamer van de Hoge Raad en van de procureur-generaal.
Voortvarende behandeling
4. De Hoge Raad ziet erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd.
Overlegging stukken
5.1 De Hoge Raad kan de griffier van het gerecht dat een prejudiciële vraag heeft gesteld, in elke stand van het geding om overlegging verzoeken van afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken.
5.2 De Hoge Raad kan eveneens aan partijen verzoeken bepaalde, op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke hij nodig acht.
Aanstonds afzien van beantwoording6.1 Indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, aanstonds van oordeel is dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, of dat de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen, beslist de Hoge Raad van beantwoording af te zien.
6.2 De griffier zendt een afschrift van die beslissing aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, alsmede aan partijen.

Schriftelijke opmerkingen
7.1 In andere gevallen wordt aan partijen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van de beslissing als bedoeld in artikel 3.1, een termijn verleend van zes weken voor het indienen van schriftelijke opmerkingen. Partijen worden hiervan door de griffier bij gewone brief in kennis gesteld. De kennisgeving vermeldt dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dienen te worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
7.2 Aan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting, tenzij anders wordt bepaald op de voet van artikel 10.
8.1 De Hoge Raad kan, hetzij aanstonds, hetzij nadat partijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook anderen dan partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. Daartoe wordt een termijn verleend van vier weken, tenzij de Hoge Raad anders bepaalt. Deze personen of instellingen worden daartoe door de griffier uitgenodigd bij gewone brief, met afschrift aan partijen.
8.2 Indien de Hoge Raad een openbare oproep tot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, beveelt hij de publicatie op de website van de Hoge Raad van de prejudiciële vraag en van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden ingediend. De Hoge Raad kan publicatie in een andere vorm bevelen.
8.3 De in lid 1 bedoelde brief van de griffier en de in lid 2 vermelde publicatie vermelden dat schriftelijke opmerkingen dienen te worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dienen te worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
8.4 Aan anderen dan partijen wordt geen gelegenheid gegeven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.
9.1 Schriftelijke opmerkingen gaan vergezeld van zoveel afschriften als er partijen zijn.
9.2 Schriftelijke opmerkingen die niet door een advocaat bij de Hoge Raad zijn ondertekend of niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend, worden ter zijde gelegd.
9.3 Partijen krijgen gelegenheid zich uit te laten over schriftelijke opmerkingen die door de andere partijen en schriftelijke opmerkingen die op de voet van art. 8 door anderen dan partijen zijn ingediend. Daartoe wordt een termijn verleend van twee weken.
9.4 De griffier zendt onverwijld afschriften van de ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
9.5 In de brief waarmee de griffier afschriften van ingekomen schriftelijke opmerkingen aan partijen toezendt, vermeldt hij de datum waarop de termijn van twee weken voor uitlating als bedoeld in lid 3 een aanvang neemt.

Schriftelijke of mondelinge toelichting10. Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van partijen, de advocaten van partijen gelegenheid geven tot het geven van een schriftelijke of mondelinge toelichting.
11.1. Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een schriftelijke toelichting, stelt de Hoge Raad de datum vast waarop de schriftelijke toelichtingen uiterlijk ter griffie moeten zijn ingediend. De griffier stelt partijen ten minste vier weken van te voren bij gewone brief in kennis van de termijn waarbinnen de schriftelijke toelichting moet worden ingediend.
11.2. Schriftelijke toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
11.3. Schriftelijke toelichtingen gaan vergezeld van zoveel afschriften als er andere partijen zijn.
11.4. De griffier zendt onverwijld afschriften van de schriftelijke toelichtingen aan de andere partijen die een advocaat bij de Hoge Raad hebben gesteld en aan het gerecht dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
12.1. Indien gelegenheid wordt gegeven tot het geven van een mondelinge toelichting, bepaalt de Hoge Raad plaats, dag en uur van de zitting. De griffier stelt partijen en anderen die schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, ten minste vier weken van te voren bij gewone brief in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
12.2. Mondelinge toelichtingen kunnen ook worden gegeven door een andere advocaat dan de door partijen gestelde advocaat bij de Hoge Raad.
12.3. De Hoge Raad kan degenen die op de voet van artikel 8 door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord.

Nieuw rol/rekestreglement civiele kamer voor selectie aan de poort per 1 juli 2012

Onlangs zijn op 4 juni 2012 in de Staatscourant gepubliceerd de door de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad vastgestelde nieuwe reglementen voor de dagvaardingsprocedure (Stcrt. 2012, nr. 10676) en voor de rekestprocedure (Stcrt. 2012, nr. 10677) bij de civiele kamer van de Hoge Raad zoals die komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet versterking cassatierechtspraak waarmee wordt ingevoerd de "selectie aan de poort" op grond van art. 80a lid 1 RO van zaken die ertoe doen (en een juridisch richtinggevende uitspraak rechtvaardigen) en die zaken die voortijdig kunnen worden uitgeselecteerd en de cassatieberoepen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft dan wel niet tot cassatie zal kunnen leiden (acte clair of acte éclairé).

In de dagvaardingsprocedure ziet de selectieprocedure na aanbrenging van een nieuwe cassatiezaak er als volgt uit:

Verloop van het geding
6. De verweerder die is verschenen, krijgt de gelegenheid tot het nemen van een conclusie van antwoord. Deze conclusie kan dadelijk worden genomen. Desgevraagd kan daartoe een termijn worden verleend van ten hoogste vier weken.
7. Gelijktijdig met het nemen van de conclusie van antwoord kan incidenteel beroep in cassatie worden ingesteld. De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor conclusie van antwoord in het incidentele beroep.Indien in de conclusie van antwoord een gemotiveerd beroep wordt gedaan op nietigheid van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de eisende partij in haar cassatieberoep anders dan op grond van artikel 80a RO, krijgt deze desgevraagd vier weken om daarop te reageren.
8.1 Na de eerst dienende dag wordt, aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. In beginsel op de derde rolzitting volgend op de eerst dienende dag doet de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, mededeling van de uitkomst van dit onderzoek.
8.2 Tenzij op de voet van het bepaalde in 8.1 al is beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, wordt nadat de conclusie van antwoord is genomen of, in voorkomend geval, nadat de conclusie van antwoord in het incidentele cassatieberoep is genomen, de in artikel 7 bedoelde reactie is gegeven dan wel nadat verstek is verleend, aan de hand van de alsdan daartoe over te leggen procesdossiers onderzocht of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 80a RO.
8.3 Na de ontvangst van de procesdossiers worden deze aan de procureur-generaal ter hand gesteld en verleent de rolraadsheer hem een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
8.4 Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.
8.5 In het geval dat de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
8.6 De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.
8.7 Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de Hoge Raad de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen. Iedere verschenen partij kan de rolraadsheer verzoeken een datum te bepalen voor schriftelijke toelichting of pleidooi. De rolraadsheer bepaalt terstond, respectievelijk na één week, deze datum.

In de rekestprocedure ziet de selectieprocedure na aanbrenging van een nieuwe cassatiezaak er als volgt uit:
Incidenteel cassatieberoep
7.1 Bij verweerschrift kan een verweerder tevens incidenteel cassatieberoep instellen. Het verweerschrift behelst in dat geval tevens de middelen waarop het incidenteel cassatieberoep steunt.
7.2 De griffier zendt onverwijld het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep aan (iedere) verweerder in het incidenteel cassatieberoep.
7.3 Binnen drie weken na toezending van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatiebe-roep kan de verweerder in het incidenteel cassatieberoep een verweerschrift indienen.
7.4 Indien de verweerder in het incidenteel cassatieberoep verzoekt om verlenging van de in 7.3 bedoelde verweertermijn, beslist de rolraadsheer, gehoord de wederpartij, of verlenging zal worden verleend. De beslissing op het verzoek om verlenging wordt schriftelijk aan partijen medegedeeld.
7.5 Indiening van een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep buiten de in 7.3 gestelde (of krachtens 7.4 verlengde) termijn wordt niet geaccepteerd, tenzij de Hoge Raad op grond van bijzondere omstandigheden anders beslist.Indiening van overige processtukken
8. Overige processtukken (bijvoorbeeld een proces-verbaal of een reactie op de conclusie van de procureur-generaal) worden ingediend ter griffie en (gelijktijdig en met vermelding hiervan aan de griffier van de Hoge Raad) door de indiener in afschrift toegezonden aan de andere in de procedure verschenen partijen.
Beroep op niet-ontvankelijkheid
9.1 Indien een der partijen in het verweerschrift concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het (incidenteel) beroep in cassatie anders dan op grond van artikel 80a RO, wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na verzending van het verweerschrift te reageren op die conclusie.
9.2 De reactie op het beroep tot niet-ontvankelijkheid dient door de indiener tevens per gelijke post gezonden te worden aan de advocaat van de wederpartij.
Beoordeling op de voet van artikel 80a RO
9a.1 Na het indienen van een verzoekschrift ter griffie wordt, in beginsel binnen drie weken na de ontvangst van het verzoekschrift en aan de hand van de stukken die dan beschikbaar zijn, onderzocht of de betrokken zaak niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Indien de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, tot het oordeel komt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, bepaalt hij dat wordt voortgeprocedeerd.
9a.2 De rolraadsheer doet aan de griffier mededeling van de uitkomst van het in het vorige lid bedoelde onderzoek. De griffier brengt die uitkomst, met inbegrip van de beslissing tot voortprocederen indien zulks door de rolraadsheer is bepaald, bij gewone brief ter kennis van de verzoeker en van de andere partijen die in de procedure bij de Hoge Raad of in de vorige instantie zijn verschenen.
9a.3 Nadat de termijn van drie weken voor het indienen van een verweerschrift als bedoeld in artikel 426b lid 3 Rv is verstreken, wordt de zaak naar de rol verwezen. Tenzij de rolraadsheer reeds heeft beslist dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, verleent hij ter rolzitting aan de in cassatie verschenen partijen een termijn van twee weken voor het overleggen van hun procesdossiers ten behoeve van een nader onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 80a.
9a.4 Na de ontvangst van ten minste één procesdossier verleent de rolraadsheer op de rolzitting aan de procureur-generaal een termijn van ten minste twee weken teneinde zich ter rolzitting mondeling of schriftelijk uit te laten over de toepasselijkheid van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal het standpunt inneemt dat artikel 80a RO voor toepassing in aanmerking komt, geeft hij schriftelijk van dit standpunt blijk.
9a.5 Na de bekendmaking van het standpunt van de procureur-generaal verwijst de rolraadsheer de zaak naar de meervoudige kamer voor de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO, tenzij de rolraadsheer overeenkomstig het standpunt van de procureur-generaal oordeelt dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt. In dit laatste geval bepaalt de rolraadsheer dat wordt voortgeprocedeerd.
9a.6 In een geval waarin de procureur-generaal schriftelijk van zijn standpunt blijk heeft gegeven, kan iedere in cassatie verschenen partij binnen twee weken nadien een reactie op dat standpunt geven, bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer met gelijktijdig afschrift aan de wederpartij en de procureur-generaal.
9a.7 De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken. Indien het oordeel inhoudt dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 80a RO, stelt de rolraadsheer de verschenen partijen in de gelegenheid om voort te procederen.
9a.8 De rolraadsheer kan indien een belanghebbende binnen de in artikel 426b lid 3 Rv bedoelde termijn voor het indienen van een verweerschrift zulks heeft verzocht, bepalen dat deze belanghebbende de beslissing over de toepassing van artikel 80a RO kan afwachten. In dat geval stelt de rolraadsheer de termijn voor het indienen van een verweerschrift nader vast op drie weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing dat 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt.

vrijdag 1 juni 2012

Verbetering van de cassatiepraktijk: taken voor Hoge Raad en NOvA

gepubliceerd in NJB 2010, p. 1593-1595

Verbetering van de cassatiepraktijk: taken voor Hoge Raad en NOvA

Na ruim honderd tachtig jaar is het nu weer zover. Nut, noodzaak en reikwijdte van de toetsing in cassatie door de Hoge Raad van de kwaliteit en juridische houdbaarheid van de lagere rechtspraak staat met de openbaarmaking sinds 1 juni jl. van het concept-wetsvoorstel “Versterking cassatierechtspraak” (www.internetconsultatie.nl) beslissend op de agenda van het politieke besluitvormingsproces in de komende kabinetsperiode.

Het conceptwetsvoorstel introduceert een wettelijke grondslag voor het uitselecteren van zaken waarin het cassatiemiddel ‘klaarblijkelijk’ niet tot cassatie zal kunnen leiden dan wel het onderliggende belang ‘te gering’ wordt bevonden om een cassatieprocedure te kunnen rechtvaardigen. Daarmee bouwt het conceptwetsvoorstel voort op het sinds februari 2008 bekende rapport van de commissie-Hammerstein over de normstellende rol Hoge Raad onder de gelijknamige titel “Versterking van de cassatierechtspraak”, waarin voor de sectoren civiel, fiscaal en straf is voorgesteld om binnen de organisatie van het rechtscollege een ‘selectiekamer’ te institutionaliseren dat de ingekomen zaken inhoudelijk zal uitselecteren; voor cassatierechtspraak ongeschikte zaken zullen worden gescheiden van die waar “juridisch richtinggevende uitspraken kunnen worden gedaan” en een “ingrijpen uit een oogpunt van aanvaardbaarheid en kwaliteit van de uitkomst” noodzakelijk is wegens “het significant nadeel” dat de aanlegger “door een fout in de bestreden uitspraak lijdt”.

De gedachte van zo’n selectiekamer is niet nieuw. Waar in 1827 de wetgever van de instelling van een “chambre des requêtes” heeft afgezien, de commissie-Gratama in 1920 en ook de wetgever in 1988 (naast de drieformatie-afdoening en verkorte motivering ex artikel 81 (101a oud) RO) geen winst zagen in het inbouwen van zo’n “voorinstantie”, acht de demissionair minister van Justitie Hirsch Ballin met de commissie-Hammerstein de tijd nu rijp om de Hoge Raad de wettelijke bevoegdheid te geven tot een vroegtijdige schifting tussen de ‘kansloze’ niet-cassabele zaken en de zaken met rechtsvragen en rechtsbeschermingsproblemen. Door het bij deze “ingangstoets” aan te leggen strikte selectiecriterium zullen volgens de commissie aan cassatiemiddelen in de inleidende stukken hogere eisen worden gesteld omdat de aanlegger zal moeten duidelijk maken “dat en waarom in de desbetreffende zaak een door de Hoge Raad te beantwoorden rechtsvraag aan de orde is en/of dat significant nadeel is geleden en waarin dit nadeel bestaat”. Op deze wijze kan de Hoge Raad toekomen aan een adequate taakvervulling in het zicht van rechtsbescherming, rechtseenheid en rechtsontwikkeling en zal ‘selectie aan de poort’ bijdragen aan een bij wet gelegitimeerde ontwikkeling “naar een meer op rechtsvorming en noodzakelijke rechtsbescherming geconcentreerde” cassatierechtspraak, waarin hij als cassatierechter tot zijn kerntaak houdt om “de kwaliteit van de onder hem ressorterende rechtspraak (…) te bewaken en te bevorderen”.

De doelstelling tot versterking van de cassatierechtspraak voor een tijdige en adequate rechtspleging binnen de drie sectoren kan ook nu weer niet op veel bezwaren stuiten. Enerzijds dringen de, mede in artikel 6 EVRM neergelegde, fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging daarop aan. Anderzijds wordt dit door Europese beginselen van een effectieve en efficiënte rechtspraak voorgeschreven. De voorgestelde regeling voor ‘selectie aan de poort’ zal op fundamenteel en inhoudelijk verzet kunnen stuiten. De vraag is of verdere weerstand tegen de introductie van een selectiemechanisme nog wel aan de orde kan (en moet) zijn. Allereerst lijkt de vraag ‘of’ een gepasseerd station. Dat een vorm van selectiestelsel in cassatie zal komen, staat al sinds 1991 op de agenda van algemeen wetgevingsbeleid van Justitie (Zicht op wetgeving; Recht in beweging). Dat de rechtsvormende taak van de Hoge Raad ten opzichte van die van lagere rechters moet worden verduidelijkt, wordt sinds 2002 onderschreven door het WRR-rapport De toekomst van de nationale rechtsstaat. Dat dit kan worden gerealiseerd met een ‘selectie aan de poort’, heeft het driemanschap nader toegelicht in hun rapport Uitgebalanceerd. Het advies van de commissie-Hammerstein ligt in het verlengde daarvan en heeft nu zijn weerslag verkregen in de regeling van het voorontwerp. De jaarcijfers van de Hoge Raad laten ook duidelijk zien dat de huidige wettelijke afdoeningsvarianten het maar stijgend zaaksaanbod niet meer alleen zullen kunnen wegwerken. Het zal om al deze redenen dan ook nu niet meer (kunnen) gaan om een beantwoording van de vraag óf maar op welke gronden de ‘selectie aan de poort’ zal moeten plaatsvinden.

De nu in artikel 80a lid 1 voorgestelde selectiecriteria zien alleen op zaken waarin het middel niet tot cassatie kan leiden en het beroep nu met artikel 81 RO wordt verworpen: “omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden of van te gering belang zijn”.    Niet-ontvankelijkverklaring van beroepen waar het middel inhoudelijke behandeling in cassatie niet rechtvaardigt, is een toepassing van het algemeen belangvereiste ex artikel 3:303 BW: de aanlegger ontbeert voldoende belang om een procedure bij de Hoge Raad te rechtvaardigen. Met deze nieuw geformuleerde gronden lijkt te worden tegemoet gekomen aan de stevige kritiek op de negatief geformuleerde eis van ‘significant nadeel’, wat aan de toekomstige selectieprocedure bij het EHRM is ontleend. Niet te verwachten is dat deze kritiek zal verstommen. Waar de discussie ging over de vraag in welke zaken ‘significant’ nadeel zou kunnen zijn geleden dat inhoudelijke behandeling rechtvaardigt, zal dezelfde discussie bij de nieuwe grond “te gering belang” kunnen worden voortgezet. Ook de grond “klaarblijkelijk niet tot cassatie” geeft aanleiding tot nieuwe discussie(s). Volgens de toelichting gaat het o.m. hier om toepassingen van het belangvereiste bij niet-bestreden oordelen die de uitspraak  zelfstandig kunnen dragen. Dat deze grond alleen in die gevallen inhoudelijke behandeling van het middel niet kan rechtvaardigen, kan echter niet de bedoeling zijn. Daarnaast lijkt met de formulering “klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden” tot uitdrukking te zijn gebracht dat bij de selectie van zaken middelen marginaal worden getoetst, waardoor de gevreesde beleidsruimte zou kunnen bestaan beroepen niet-ontvankelijk te verklaren waarbij gegronde klachten uit “oogpunt van aanvaardbaarheid en kwaliteit van de uitkomst” tot cassatie zouden moeten leiden. Dit kan gezien de kerntaken van de Hoge Raad niet met de selectiecriteria zijn bedoeld. Voor betere voorspelbaarheid van de ‘selectie aan de poort’ zouden met de nu bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad over toepassingen van het algemeen belangvereiste als bedoeld in artikel 3:303 de huidige gronden voor niet-ontvankelijkverklaring kunnen worden samengevoegd tot de volgende alles dekkende bepaling : “De Hoge Raad kan (…) het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren, wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat zij onmiskenbaar niet tot cassatie kunnen leiden, de aanlegger een rechtens te beschermen belang ontbeert dan wel hem niet een in rechte te respecteren belang toekomt”. Immers, bij de beroepen tegen uitspraken waarin evident (“onmiskenbaar”) is dat de bestreden oordelen niet getuigen van een onjuiste opvatting over een toepassing van (supra)nationaal recht, zal het in cassatie aankomen op de toetsing van begrijpelijkheid (aanvaardbaarheid en controleerbaarheid) van de gegeven motivering in de beslissing; deze zaken zullen zich op grond van een middel en een inhoudelijk antwoord eenvoudig met de gedingstukken vooraf laten uitselecteren. De hier voorgestelde wettekst zou daarbij in die zaken de Hoge Raad beslissingsruimte geven om naar de omstandigheden van concrete gevallen de aanlegger het rechtsmiddel te ontzeggen wegens het ontbreken van (voldoende) materieel of procedureel belang dat bij motiveringsgebreken ingrijpen van de Hoge Raad in cassatie te rechtvaardigen. De zaken met klachten tegen uitspraken die zijn gegrond op evident (“onmiskenbaar”) onjuiste rechtsopvattingen, kunnen dan ook meteen worden uitgeselecteerd en in een versneld behandelingstraject worden afgedaan.

Nu door de ‘selectie aan de poort’ de cassatieadvocaat als (op)steller van het middel moet onderbouwen welk significant nadeel een partij door de uitkomst of door een fout in de bestreden uitspraak zal lijden dat ingrijpen van de Hoge Raad noodzakelijk maakt, zullen hogere kwaliteitseisen aan cassatieadvocaten worden gesteld. Voortbouwend op aanbevelingen van de gemengde commissie-Neleman en -Fleers stelt de minister voor in een nieuw artikel 9j Advocatenwet aan de NOvA op te dragen om bij verordening voor een landelijke cassatiebalie nadere kwaliteitseisen te stellen aan de vakbekwaamheid van civiele advocaten om, na daartoe afgelegde beroepsexamens, ook als “advocaat bij de Hoge Raad” (onvoorwaardelijk) te kunnen worden ingeschreven op het tableau. Opvallend is dat het voorontwerp alleen een overgangsrechtelijke regeling bevat voor de lopende zaken die een jaar na inwerkingtreding van de wetswijziging bij de Hoge Raad aanhangig zijn en door leden van de Haagse balie op eigen naam worden gevoerd, en het verdere regeling van het overgangsrechtelijk regiem bij verordening aan de NOvA heeft overgelaten terwijl door de commissie-Neleman en –Fleers concrete voorstellen voor een wettelijke regeling waren gedaan. Gingen deze voorstellen nog uit van een situatie waar bij afwezigheid van een selectiemechanisme het aantal “vlieguren” van civiele cassatieadvocaten mede werd bepaald door een inhoudelijke behandeling van zaken bij de Hoge Raad waaronder die waarin een beroep met artikel 81 RO wordt verworpen; daarvan zal bij de invoering van een selectiestelsel niet meer kunnen worden uitgegaan. Dat de door deze commissies gestelde voorwaarden aan een aantal “vlieguren” per jaar als zodanig zullen kunnen worden volgehouden, is onder de nieuwe situatie overigens niet zonder meer vanzelfsprekend: door de selectie aan de poort zullen, anders dan toen nog het geval was, minder cassatiezaken inhoudelijk bij de Hoge Raad in behandeling worden genomen. Moeten nu voor een aanvaardbaar overgangsrechtelijk regiem andere voorwaarden worden gesteld? Kunnen deze minimumeisen nog wel worden gesteld aan gespecialiseerde cassatieadvocaten, die per jaar minder inhoudelijke zaken in cassatie kunnen aanbrengen maar die wel complexe rechtsvragen aan de orde stellen waardoor in deze zaken doorgaans juridisch richtinggevende uitspraken worden gedaan (zoals in het intellectuele en industriële eigendom, enquête- en jaarrekeningenrecht)? Kunnen deze minimumeisen wel worden gesteld aan een beperkte groep cassatieadvocaten die na daartoe afgelegd examen als lid van de landelijke cassatiebalie bij uitsluiting bevoegd zijn om als advocaat bij de Hoge Raad op te treden, van wie niet iedereen zoals bij grote advocatenkantoren een vaste toestroom van meer potentieel cassabele cassatiezaken zal (kunnen) hebben en dan niet aan het vereiste aantal “vlieguren” kunnen komen? Hoe zit het met kantoren waarvan de veelheid van zulke zaken samenhangt met en voortvloeit uit een vaste dienstverlening voor één grote cliënt (zoals de Staat en lagere overheden)? Moet bij leden van cassatiebalie die niet aan hun “vlieguren” zullen (kunnen) komen omdat zij overwegend vaker – en terecht – negatief hebben geadviseerd, de aantekening als advocaat bij de Hoge Raad vervolgens moeten worden doorgehaald?

De vraag dringt zich op of nu het moment is om, nog vóór de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel, binnen de NOvA na te denken over (i) de concrete kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 9j lid 3 Ontwerp die meer algemeen aan civiele cassatieadvocaten zullen moeten worden gesteld, (ii) de wijze waarop en de mate waarin de leden van deze landelijke cassatiebalie zullen moeten worden geëxamineerd, (iii) de wijze waarop en door wie zal worden toegezien op de invulling en naleving van deze kwaliteitseisen en waar voor de tuchtrechtelijke handhaving het centrale aanspreekpunt zal zijn gelegen, en (iv) hoe de landelijke cassatiebalie binnen de NOvA verder zal worden georganiseerd en, naar buiten toe, wie deze balie in binnen- en buitenland zal gaan vertegenwoordigen.

Vragen die in deze bijdrage niet alle zullen kunnen worden beantwoord. Niettemin zal ik een eerste aanzet geven voor een antwoord. Met inachtneming van de langjarige kennis en ervaring in de huidige organisatie en bestaande contacten in binnen- en buitenland ligt het voor de hand dat de deken van de Haagse balie ook de deken van de landelijke cassatiebalie zal worden en daarvoor, zowel intern als extern, de nu al bestaande met nieuwe taken zal kunnen gaan vervullen. De deken van de landelijke cassatiebalie zal op de ontwikkeling en handhaving van de kwaliteitseisen van de civiele cassatieadvocaten moeten gaan toezien en daartoe periodiek overleg moeten voeren met de Hoge Raad om deze eisen bij de tijd te houden en om, daar waar nodig, in de balie te kunnen ingrijpen.

zaterdag 11 februari 2012

Prejudicieel meedenken aan de rechtsontwikkeling in een versterkte cassatierechtspraak

Op 7 februari 2012 nam de EK de Wet prejudiciële vragen civiele kamer http://bit.ly/wK4LKm aan die per 1 juli in werking kan treden met de Wet versterking cassatierechtspraak http://bit.ly/x0w69Z.

Art. 392, eerste lid, nieuw Rv. zal het volgende bepalen:

De rechter kan in de procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de eis of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is:
a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen [massaschade-gevallen], of
b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet [rechtsonzekerheid-gevallen].

De minister van Justitie (MvA I; http://bit.ly/xQGgcv) verwacht dat, vergeleken met Frankrijk, jaarlijks hooguit 10 prejudiciële vragen zullen worden beantwoord;
a) voorziet deze wetswijziging niet in een grotere maatschappelijke behoefte om de HR vaker in gelijksoortige en soortgelijke gevallen als bedoeld in art. 392 NRv. op voordracht van de feitenrechter een zaaksoverstijdende richtinggevende uitspraak te laten doen?
b) is de geuite reserve gerechtvaardigd dat art. 392 NRv. het "gevaar" in zich kan hebben dat feitenrechters niet meer zelf aan de rechtsontwikkeling zullen durven bijdragen en er zelfs sprake zal zijn van verkapte rechtsweigering?
c) welke leerstukken en bestaande en komende wettelijke regelingen lenen op korte termijn zich voor een prejudiciële procedure bij de civiele kamer?
d) moet deze prejudiciële procedure worden uitgebreid naar strafrechtelijke en fiscale zaken?

Discussieer mee en draag wetenschappelijk en vanuit de eigen procespraktijkervaringen bij aan de komende rechtsontwikkelingen via LinkedIn.com in de volgende (sub)groepen:

- Advocatenblad,
- Advocatuur,
- Cassatiebalie,
- Civilologie,
- Jonge NJV,
- Leiden Universiteit Law School (ook alumni),
- Nederlandse Orde van Advocaten,
- Recht,
- Vereniging Corporate Litigation en
- Vereniging voor Aansprakelijkheids- en Schadevergoedingsrecht.

De bijdragen zullen worden samengevoegd, geëvalueerd en teruggerapporteerd voor een follow up.

Menno Bruning
Lawyers' Specialist